ECLI:NL:CRVB:2016:2132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als chauffeur, werd door het UWV beoordeeld als minder dan 35% arbeidsongeschikt per 23 juli 2014, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Na bezwaar en beroep werd dit oordeel bevestigd door verzekeringsartsen die de beperkingen van appellante vastlegden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar borderline persoonlijkheidsstoornis, en dat de FML onvolledig en niet toetsbaar was.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd was verricht, dat de verzekeringsartsen relevante medische informatie hadden betrokken, en dat een diagnose op zich niet bepalend is voor de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de verzekeringsartsen te verwerpen of een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.