Appellant was werkzaam als beveiliger toen hij tijdens een nachtelijke ronde een gewelddadig incident met nekletsel opliep, waarna hij zijn werkzaamheden moest staken. De bedrijfsarts stelde vast dat appellant zijn hoofd niet goed kan bewegen, waardoor hij niet adequaat kan anticiperen op onverwachte gebeurtenissen, essentieel voor zijn functie.
Het UWV besloot op 8 maart 2013 dat appellant geen recht meer had op een Ziektewetuitkering, omdat hij niet langer wegens ziekte ongeschikt zou zijn voor zijn eigen werk. Dit besluit werd na bezwaar en beroep door het UWV gehandhaafd en door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij door zijn nekklachten en medicatie niet in staat is zijn functie als beveiliger adequaat uit te voeren. De Raad overwoog dat hoewel onverwachte gebeurtenissen zelden voorkomen, de functie van beveiliger juist vereist dat men daarop kan anticiperen. De beperkingen van appellant maken hem ongeschikt voor zijn eigen werk. De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en herroept het primaire besluit van het UWV. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten.