Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2176

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juni 2016
Publicatiedatum
14 juni 2016
Zaaknummer
15-572 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, vierde lid, aanhef en onder d, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB

Appellante heeft op 2 mei 2013 bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard wees de aanvraag af omdat appellante en A. een gezamenlijke huishouding voerden, gelet op het feit dat zij hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en als fiscaal partners stonden geregistreerd bij de Belastingdienst.

Appellante betwistte dit en overhandigde een gewijzigde belastingaangifte waarin A. niet langer als fiscaal partner werd opgevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt verworpen. De Raad concludeerde dat de registratie als fiscaal partners en het gezamenlijke hoofdverblijf voldoende bewijs vormen voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de WWB.

De Raad oordeelde dat de enkele wijziging van de belastingaangifte onvoldoende was om de gezamenlijke huishouding te ontkennen, zeker omdat A. studiekosten van appellante als aftrekpost opvoerde. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het aannemen van een gezamenlijke huishouding op basis van fiscaal partnerschap en hoofdverblijf in dezelfde woning.

Uitspraak

15/572 WWB
Datum uitspraak: 7 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2014, 14/2894 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellante en mr. Zahi zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 2 mei 2013 heeft appellante bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd.
1.2.
Op 20 juni 2013 heeft een intakegesprek plaatsgevonden tussen appellante en een rapporteur van het college. Appellante is bevraagd over haar woon- en leefsituatie.
1.3.
Op 9 juli 2013 heeft het college informatie van de Belastingdienst ontvangen waaruit blijkt dat in 2012 appellante en [naam A] (A.) geregistreerd staan als fiscaal partner en A. de studiekosten van appellante opvoert als aftrekpost.
1.4.
Bij besluit van 16 juli 2013 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met A. Appellante en A. hebben hoofdverblijf in dezelfde woning en staan bij de Belastingdienst over het jaar 2012 als fiscaal partners geregistreerd. Appellante heeft geen recht op bijstand aangezien zij met het inkomen van A. over voldoende middelen beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
1.5.
Bij bezwaar van 29 juli 2013 heeft appellante een op 20 juni 2013 gewijzigde aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012 overgelegd. Hierin wordt A. niet meer als fiscaal partner opgevoerd.
1.6.
Bij besluit van 18 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te besproken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
4.2.
Vaststaat dat appellante en A. ten tijde van de aanvraag hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Appellante heeft niet betwist dat zij op de datum van de aanvraag om bijstand bij de Belastingdienst geregistreerd stond als fiscaal partner van A.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat de registratie als fiscaal partners over het jaar 2012 een foutieve opgave betreft en dat zij op grond van nadere informatie van de Belastingdienst deze fout heeft ingezien en hersteld op 20 juni 2013. Uit de beschikbare gegevens blijkt echter niet dat appellante een fout heeft gemaakt bij het indienen van de oorspronkelijke belastingaangifte over het jaar 2012. De enkele wijziging nadien is onvoldoende ter ondersteuning van deze stelling. Dit geldt te meer nu A. in verband met het fiscaal partnerschap de studiekosten van appellante als fiscale aftrekpost heeft opgevoerd. Hoewel aangekondigd, heeft appellante geen nadere stukken ter onderbouwing van haar standpunt overgelegd.
4.4.
Nu appellante en A. ten tijde van de aanvraag hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en geregistreerd stonden als fiscaal partners, heeft het college op goede gronden geconcludeerd dat artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de WWB meebrengt dat hun woon- en leefsituatie als een gezamenlijke huishouding moest worden aangemerkt.
4.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) A. Stuut
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

JL