ECLI:NL:CRVB:2016:2183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Ziektewet-uitkering en grenzen van het geding in hoger beroep
Appellante was werkzaam als medewerkster algemene schoonmaak en meldde zich ziek met nek- en schouderklachten. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verklaarde haar bezwaar ongegrond. Later meldde zij zich opnieuw ziek met rug- en psychische klachten. Een verzekeringsarts verklaarde haar geschikt voor enkele functies, waarna het UWV het recht op ziekengeld introk. Appellante ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat appellante in staat was de geselecteerde functies te verrichten en dat zij geen recht had op een WIA-uitkering. Het UWV stelde incidenteel hoger beroep in tegen het oordeel over de WIA-aanspraken, omdat deze buiten het bestreden besluit vielen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank inderdaad buiten de grenzen van het geding was getreden door ook de WIA-aanspraken te beoordelen.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat appellante per 13 januari 2014 geschikt was voor de geselecteerde functies, waarbij alle klachten en beperkingen zorgvuldig waren meegewogen. De aanvullende medische informatie van appellante bood geen aanleiding tot een ander oordeel. Het hoger beroep van appellante werd verworpen en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het incidenteel hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard.