ECLI:NL:CRVB:2016:2193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding bij herziening AOW-pensioen
Appellant ontving vanaf december 2005 een AOW-pensioen voor een ongehuwde. In november 2012 bleek dat appellant gehuwd was, waarop de Sociale verzekeringsbank (Svb) het pensioen met terugwerkende kracht herzag naar gehuwd en het te veel betaalde bedrag van €18.451,61 terugvorderde. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten op 4 april 2014, maar deze bezwaren werden niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit ongegrond, omdat de Svb aannemelijk had gemaakt dat de besluiten in april 2013 naar het juiste adres waren verzonden en appellant niet aannemelijk had gemaakt deze niet te hebben ontvangen. De Raad overwoog dat appellant medio november 2013 kennis had genomen van de besluiten, maar pas in april 2014 bezwaar maakte, ruim na de termijn.
Appellant verbleef van 15 december 2013 drie maanden in het buitenland, wat hem bekend was, zodat hij tussen medio november en vertrek voldoende tijd had om bezwaar te maken. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Bezwaren van appellant tegen herziening AOW-pensioen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.