ECLI:NL:CRVB:2016:2201

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2016
Publicatiedatum
15 juni 2016
Zaaknummer
15-5508 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Algemeen Verdrag sociale zekerheid Nederland-MarokkoAlgemene nabestaandenwet (ANW)Algemene Ouderdomswet (AOW)
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering op grond van niet-verzekerd zijn voor ANW

Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot die een AOW-uitkering ontving. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW op het moment van overlijden, en ook het Algemeen Verdrag sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko bood geen recht op uitkering.

In bezwaar en beroep voerde appellante aan dat haar echtgenoot niet was geïnformeerd over de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering en dat zij bereid was premies met terugwerkende kracht te betalen. Deze verzoeken werden afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen verzekering bestond en dat de Svb geen informatieplicht had over vrijwillige verzekering.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat het verdrag met Marokko niet tot een ander oordeel leidt omdat de echtgenoot niet als werknemer verzekerd was volgens Marokkaanse wetgeving. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de nabestaandenuitkering bevestigd.

Uitspraak

15/5508 ANW
Datum uitspraak: 15 juni 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
3 juli 2015, 14/7830 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft M. Haddaoui hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.Appellante, geboren in 1960 en woonachtig in Marokko, is in 1977 gehuwd met
[naam echtgenoot] , die is geboren in 1943. [naam echtgenoot] , die enige tijd in Nederland heeft gewerkt, woonde sinds 1978 (weer) in Marokko, waar hij op 1 oktober 2012 is overleden. Hij was op dat moment in het genot van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellante heeft in verband met het overlijden van haar echtgenoot een uitkering aangevraagd ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW).
1.2.
Deze aanvraag is bij besluit van 10 oktober 2014 afgewezen op de grond dat [naam echtgenoot] , op de dag van overlijden, niet verzekerd was voor de ANW. Ook op grond van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko bestond geen recht op een nabestaandenuitkering.
2.1.
In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat in de tijd dat haar echtgenoot nog leefde hem geen informatie is verstrekt met betrekking tot de verzekering ingevolge de ANW/AOW. Appellante heeft momenteel geen inkomen.
2.2.
Bij besluit van 6 november 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 10 oktober 2014 gehandhaafd. Opgemerkt wordt onder meer dat het ontvangen van een uitkering, in ieder geval sinds 1 januari 2000, geen grond meer is voor verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen, waartoe de ANW behoort. En verder dat niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante zich had aangemeld voor de vrijwillige verzekering voor de ANW en dat premies voor vrijwillige verzekering zijn betaald. Gewezen wordt op het dwingendrechtelijke karakter van de ANW. Het ontbreken van inkomen kan er niet toe leiden dat van de wettelijke bepalingen wordt afgeweken.
3.1.
In beroep is namens appellante onder meer naar voren gebracht dat zij bereid is premies voor de vrijwillige verzekering voor de ANW met terugwerkende kracht te betalen. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 12 februari 2015.
3.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het dossier blijkt dat de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden niet (meer) verzekerd was voor de ANW. Van een verzekering krachtens de Marokkaanse wetgeving is niet gebleken. Dat de echtgenoot van appellante een pensioen ingevolge de AOW ontving, maakt niet dat hij als verzekerde ingevolge de ANW kan worden aangemerkt. Voorts is niet gebleken van vrijwillige verzekering. De omstandigheid dat de echtgenoot van appellante over de mogelijkheid daartoe niet zou zijn geïnformeerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Volgens vaste rechtspraak rust op de Svb geen rechtsplicht om te informeren over de mogelijkheid om een vrijwillige verzekering af te sluiten. De rechtbank concludeert dat appellante ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot niet voldeed aan de voorwaarden om verzekerd te worden geacht op grond van de ANW, zodat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitlering.
4.1.
In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in essentie herhaald.
4.2.
Het gaat in het onderhavige geschil om de beantwoording van de vraag of de rechtbank, in het voetspoor van de Svb, met recht heeft geoordeeld dat appellante geen aanspraak kan maken op een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW.
4.3.
De Raad kan zich in hoofdzaak vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, waarnaar de Raad dan ook verwijst. De Raad voegt daaraan toe dat artikel 22 van Pro het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko appellante niet kan baten, nu blijkens de gedingstukken, de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden weliswaar een ouderdomspensioen genoot krachtens de Marokkaanse sociale verzekeringswetgeving, maar niet als werknemer verzekerd was krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen. Geconcludeerd wordt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) N. Veenstra

MO