ECLI:NL:CRVB:2016:2205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs verzekeringsgeschiedenis
Appellant verzocht in oktober 2012 om toekenning van een AOW-pensioen en stelde dat hij tussen 1969 en 1972 bij een Nederlands bedrijf had gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat geen bewijs was gevonden dat appellant verzekerd was geweest voor de AOW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant niet in de administratie van de werkgever voorkwam en geen bewijsstukken over zijn arbeidsverleden of verblijf in Nederland had overgelegd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij belasting had betaald en werkte bij het genoemde bedrijf. Hij overhandigde een getuigenverklaring van een familielid die bevestigde dat zij samen hadden gewerkt. Nadere onderzoeken door de Svb leverden echter geen aanvullende bewijsstukken op. De getuigenverklaring van de neef werd niet als voldoende objectief bewijs gezien, mede omdat deze niet werd ondersteund door andere verifieerbare documenten.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij verzekerd was voor de AOW in enig tijdvak vanaf zijn 15e verjaardag. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het AOW-pensioen bevestigd.