ECLI:NL:CRVB:2016:2210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling beëindiging maatschappelijke opvang
Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet, had opvang in een maatschappelijke opvanglocatie gedurende zes maanden. Na afloop van deze periode ontving appellant een brief van het college waarin werd medegedeeld dat de opvang werd beëindigd en werd voorgesteld het verzoek tot continuering te behandelen als een aanvraag op grond van de Wmo.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, stellende dat het een besluit tot beëindiging van de opvang betrof. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb was. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de brief van 4 juli 2014 slechts een informatieve mededeling is, aangezien bij aanvang van de opvang de einddatum al vaststond. De brief is niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg en vormt geen besluit tot beëindiging van de opvang. Ook het voorstel om het verzoek tot continuering als aanvraag te behandelen is geen besluit.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief van 4 juli 2014 geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.