ECLI:NL:CRVB:2017:513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voorliggende voorziening opvang in VBL onder Wmo
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, verzocht om voortzetting van maatschappelijke opvang onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees dit af bij besluit van 8 augustus 2014, waarna betrokkene bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht heeft op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Betrokkene stelde dat het besluit van 8 augustus 2014 geen besluit in de zin van de Awb was, omdat het een herhaling zou zijn van het eerdere besluit van 4 juli 2014. Dit werd verworpen. Het college voerde aan dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van Wmo-opvang wegneemt.
De Raad bevestigde dat opvang in een VBL als voldoende voorziening geldt en dat deze plaatsing voldoet aan de positieve verplichting uit het internationaal recht om opvang te bieden. Daarom is opvang in een VBL een voorliggende voorziening die Wmo-opvang overbodig maakt. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat opvang in een VBL een voorliggende voorziening is die Wmo-opvang vervangt.