ECLI:NL:CRVB:2016:225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en ontving na beëindiging van haar dienstverband een Werkloosheidswetuitkering. Zij meldde zich ziek wegens rug-, schouder- en psychische klachten. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts werd zij per 2 augustus 2013 als hersteld en geschikt voor arbeid beschouwd, waarna haar Ziektewetuitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante geen belemmering vormden voor het verrichten van haar arbeid.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren toegenomen en dat zij vanwege fysieke en psychische beperkingen niet geschikt was voor schoonmaakwerkzaamheden. De Raad oordeelde dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat de rechtbank deze voldoende had gemotiveerd. De Raad nam het oordeel van de rechtbank over en wees het hoger beroep af.
De Raad overwoog dat de gezondheidstoestand op 2 augustus 2013 centraal staat en dat latere verslechteringen geen invloed hebben op de beoordeling. De overgelegde medische gegevens gaven geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van de verzekeringsarts. Er was geen reden voor nader deskundigenonderzoek.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 2 augustus 2013 wegens geschiktheid voor arbeid.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht per 2 augustus 2013 beëindigd wegens geschiktheid voor arbeid.