ECLI:NL:CRVB:2016:2252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief beëindiging maatschappelijke opvang
Appellante, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, verbleef vanaf november 2013 zes maanden in maatschappelijke opvang in de Vluchthaven. Na afloop van deze periode diende zij een aanvraag in voor voortzetting van de opvang. Het college stuurde op 4 juli 2014 een brief waarin werd medegedeeld dat de opvang was beëindigd en stelde voor de aanvraag te behandelen als een aanvraag om maatschappelijke ondersteuning.
Appellante maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1, Awb kon worden aangemerkt. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen ervan omdat de brief slechts een informatieve mededeling was en niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat de brief geen besluit is omdat bij aanvang van de opvang al een einddatum was vastgesteld. De brief bevatte enkel een mededeling van informatieve aard en een voorstel om de aanvraag als maatschappelijke ondersteuning te behandelen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.