Appellant, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, had opvang in de Vluchthaven van november 2013 tot 31 mei 2014. Na een aanvraag tot voortzetting op 24 juni 2014, stuurde het college op 4 juli 2014 een brief waarin werd meegedeeld dat de opvang was beëindigd en dat de aanvraag als een verzoek om maatschappelijke opvang volgens de Wmo zou worden behandeld.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb was. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. De rechtbank oordeelde dat de brief slechts een informatieve mededeling was en geen zelfstandig besluit tot beëindiging van de opvang.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De brief van 4 juli 2014 is geen besluit omdat bij aanvang van de opvang de einddatum al vaststond en de brief geen zelfstandig rechtsgevolg beoogde. Tevens was appellant bekend met de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de einddatum. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.