ECLI:NL:CRVB:2016:2288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering AIO-aanvulling en schending redelijke termijn
Appellant ontving een AIO-aanvulling als aanvulling op zijn pensioen, welke door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd herzien en teruggevorderd vanwege verplichte afkoop van het ABP-pensioen in 2007. De Svb beschouwde de afkoopsom terecht als inkomen en was bevoegd tot terugvordering, mede omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door de afkoop niet tijdig te melden.
De rechtbank had de beroepen van appellant tegen de terugvorderingen ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het voornemen van de Svb om te verrekenen met een nabetaling AOW geen besluit in de zin van de Awb is en niet in deze procedure betrokken kan worden.
Verder werd bevestigd dat de Svb bevoegd was de terugvordering uit te voeren en dat de afkoopsom als inkomen moest worden gezien, zonder rekening te houden met fiscale nadelige effecten die appellant elders ondervond. Tot slot stelde de Raad vast dat de redelijke termijn in de bestuurs- en rechterlijke fase was overschreden, waardoor een schadevergoeding werd toegekend aan appellant voor immateriële schade wegens de lange duur van de procedure.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde AIO-aanvulling en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.