Uitspraak
14 juli 2015, 15/51 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 10 juni 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college stelde hem in de gelegenheid om ontbrekende bewijsstukken, waaronder bankafschriften van alle rekeningen over de laatste twaalf maanden, aan te leveren. Ondanks meerdere verzoeken leverde appellant deze stukken niet binnen de gestelde termijn aan.
Appellant gaf aan dat hij vanwege zijn zwervend bestaan geen bankafschriften kon overleggen en dat de hoofdbewoner weigerde het formulier gezamenlijke huishouding te ondertekenen. Het college stelde de aanvraag daarom buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hem geen verwijt treft en dat het college niet redelijk kon verlangen dat hij financiële gegevens vanaf 2010 overlegt. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende heeft toegelicht waarom zijn situatie het onmogelijk maakte de gevraagde stukken aan te leveren en dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot uitstel. Ook was het niet aannemelijk dat het college onredelijk handelde.
De Raad bevestigde daarom het besluit het verzoek buiten behandeling te stellen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van noodzakelijke bankafschriften.