Uitspraak
30 juli 2015, 14/9016 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en diende hiertoe een aanvraag in. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam weigerde de aanvraag omdat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie, met name de herkomst van stortingen op zijn bankrekening. Ondanks verzoeken leverde appellant geen voldoende bewijs aan, zoals een onderbouwde verklaring van leningen van familieleden of een plausibele verklaring van geldstromen.
Het college besloot de aanvraag af te wijzen en vorderde de reeds verstrekte voorschotten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel alle gevraagde gegevens had verstrekt en dat het college hem ten onrechte geen extra gelegenheid had gegeven om nadere stukken te overleggen. Ook stelde hij dat het college te lang had gedaan over de beslissing, wat strijdig zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond hoe hij in zijn levensonderhoud had voorzien en dat de verklaring van leningen niet werd ondersteund door objectieve gegevens. De stelling dat geld van de creditcard werd opgenomen en contant gestort was onvoldoende onderbouwd. De Raad verwierp ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel en het verzoek om een extra hersteltermijn. De terugvordering van voorschotten werd gehandhaafd omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat dit tot onaanvaardbare financiële consequenties zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen en de terugvordering van voorschotten wordt gehandhaafd.