ECLI:NL:CRVB:2016:2308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Bbz-lening wegens niet overleggen administratie
Appellanten ontvingen bijstand in de vorm van een renteloze lening op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor de periode van 1 april 2011 tot en met 31 augustus 2012. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag vorderde de bijstand over de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 2012 terug tot een bedrag van €10.692,26, omdat appellanten niet voldeden aan de verplichting om binnen zes maanden na afloop van het boekjaar 2012 hun administratie over te leggen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat het college op grond van artikel 47 Bbz Pro 2004 in verbinding met artikel 44 Bbz Pro 2004 gehouden was tot terugvordering, omdat de definitieve vaststelling van het recht op bijstand onmogelijk was gemaakt door het niet overleggen van de administratie. Appellanten stelden in hoger beroep geen nieuwe gronden aan, waardoor de Raad zich kon vinden in het oordeel van de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de Bbz-lening wordt bevestigd.