Appellant vroeg op 29 augustus 2013 bijstand aan, nadat hij sinds december 2011 geen inkomsten had en bij een familielid verbleef zonder vaste lasten te betalen. Het college wees de aanvraag af wegens onvoldoende duidelijkheid over zijn levensonderhoud en vorderde voorschotten terug.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij door familie werd ondersteund en bij een familielid verbleef, hetgeen werd onderbouwd met verklaringen en bankafschriften. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelde dat appellant voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het oorspronkelijke besluit en kent met ingang van 6 augustus 2013 bijstand toe. Proceskostenveroordeling werd afgewezen omdat appellant pas laat bewijsstukken aanleverde.