ECLI:NL:CRVB:2016:2326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op ziekengeld na beëindiging arbeidsovereenkomst op grond van nawerking Ziektewet
Werknemer meldde zich ziek per 4 juni 2014 terwijl hij nog in dienst was als koerier bij appellant. De arbeidsovereenkomst werd op 22 juli 2014 beëindigd. Het UWV stelde vast dat werknemer vanaf die datum recht heeft op ziekengeld omdat hij niet geschikt is om zijn laatste werk te verrichten. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat nawerking niet van toepassing is omdat werknemer aanspraak had kunnen maken op een WW-uitkering, die echter niet is aangevraagd of toegekend. Ook stelde appellant dat het UWV een onjuiste maatstaf voor de arbeid heeft gehanteerd. De Raad oordeelde dat artikel 46 Ziektewet Pro nawerking regelt voor werknemers die binnen vier weken na het einde van hun verzekering ongeschikt zijn om te werken, ongeacht het aanvragen van een WW-uitkering.
Medische onderbouwing door een verzekeringsarts toonde aan dat werknemer beperkingen heeft die hem ongeschikt maken voor het werk als koerier. Appellants betoog dat de fysieke belasting minder zwaar was, werd niet gevolgd omdat dit niet aannemelijk was gemaakt. De Raad concludeerde dat het UWV terecht ziekengeld heeft toegekend vanaf 22 juli 2014 en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het recht van werknemer op ziekengeld op grond van nawerking van de Ziektewet.