ECLI:NL:CRVB:2016:2327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op Ziektewetuitkering voor schoonmaker met rugklachten
Appellant was fulltime schoonmaker en meldde zich ziek wegens rugklachten. Het UWV stelde vast dat hij per 26 juni 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een WIA-uitkering. Later werkte appellant parttime als schoonmaker bij een gehandicapteninstelling, maar werd ziek gemeld met rugklachten. Het UWV weigerde hem ziekengeld op grond van de Ziektewet, omdat hij geschikt werd geacht voor zijn laatstelijk verrichte functie.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV een onjuiste maatstaf hanteerde en gaf het UWV de gelegenheid om het gebrek in de motivering te herstellen. Na aanvullend onderzoek door een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat appellant de schoonmaakfunctie kon verrichten. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betwist appellant deze procedure en de beoordeling van zijn belastbaarheid. De Raad overweegt dat het UWV terecht een tweede kans kreeg om het gebrek te herstellen en dat de arbeidsdeskundige een juist beeld gaf van de lichte aard van het werk. De verzekeringsarts had een overtuigend gemotiveerd oordeel dat appellant de werkzaamheden kon verrichten. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een Ziektewetuitkering omdat hij geschikt is voor zijn laatstelijk verrichte schoonmaakfunctie.