Uitspraak
CIZ
J. Henneveld.
OVERWEGINGEN
10 januari 2014. Appellante heeft op 19 december 2013 opnieuw een indicatie voor
AWBZ-zorg aangevraagd voor de functie begeleiding.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft concentratie- en geheugenklachten na een ongeval in 2011 en vroeg opnieuw om een indicatie voor begeleiding onder de AWBZ. Het CIZ wees deze aanvraag af omdat zonder nader diagnostisch onderzoek de oorzaak van haar klachten niet vastgesteld kon worden en daarmee geen grondslag voor AWBZ-zorg bestond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medisch advies van de CIZ-medisch adviseur zorgvuldig was en dat behandeling onder de Zorgverzekeringswet voorrang heeft op AWBZ-zorg.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar medische beperkingen onjuist waren vastgesteld of onderschat. De Raad beoordeelde het medisch advies, waarbij verschillende artsen concludeerden dat nader neuropsychologisch onderzoek noodzakelijk is om de klachten te diagnosticeren en een behandeling te bepalen. Appellante weigerde dit onderzoek te ondergaan, waardoor geen diagnose kon worden gesteld.
De Raad volgt de rechtbank en concludeert dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag indicatie begeleiding AWBZ bevestigd.