Uitspraak
10 december 2014, 14/2070 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand vanaf januari 2012, maar het college trok deze per 1 juli 2012 in wegens schending van de inlichtingenplicht. Vervolgens vorderde het college de kosten van bijstand over die periode terug, een besluit dat door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep met het argument dat zijn alcohol- en drugsverslaving dringende redenen vormden om van terugvordering af te zien en om kwijtschelding te verkrijgen. Hij stelde dat hij door zijn verslaving niet tijdig bezwaar kon maken en dat de terugvordering hem onevenredig zwaar zou treffen.
De Raad oordeelde dat verslaving geen dringende reden is in de zin van artikel 58, achtste lid, WWB, omdat dringende redenen alleen bestaan bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die uitzonderlijk zijn. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de terugvordering onaanvaardbare consequenties voor hem heeft. Ook de mogelijkheid om beslagvrije voet te hanteren biedt bescherming.
Verder wees de Raad het verzoek tot kwijtschelding af omdat het college zich redelijk kon opstellen gezien de persoonlijke situatie van appellant. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Er werden geen proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.