ECLI:NL:CRVB:2016:2342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen handelsactiviteiten in brommeronderdelen
Appellanten ontvingen bijstand sinds 1994 en werden onderzocht vanwege bijschrijvingen op een bankrekening die verband hielden met handel in brommeronderdelen. Het college van burgemeester en wethouders van Deventer stelde een onderzoek in, waarbij bleek dat appellanten deze handelsactiviteiten en inkomsten niet hadden gemeld, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde.
Het college trok de bijstand met ingang van 21 november 2013 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode tot 4 juni 2014 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten voerden aan dat de handel door hun zoon werd gedreven en dat zij geen vrije beschikking hadden over de gelden, maar deze stellingen werden niet ondersteund door concrete aanwijzingen of objectief bewijs.
De Raad oordeelde dat het college terecht mocht aannemen dat appellanten zelf de handel dreven, mede gelet op de vondst van bromfietsonderdelen bij een huisbezoek. Ook het argument dat de handel vanaf april 2014 was gestopt werd verworpen omdat advertenties bleven lopen. Door het niet melden van de inkomsten kon het college de bijstandbehoevendheid niet vaststellen, waardoor intrekking en terugvordering gerechtvaardigd waren.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde handelsactiviteiten worden bevestigd.