ECLI:NL:CRVB:2016:2412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig magazijnmedewerker en inpakker, vroeg een WIA-uitkering aan na arbeidsongeschiktheid te hebben gemeld in 2012. De verzekeringsarts stelde vast dat appellant diverse lichamelijke klachten heeft, waaronder restklachten aan de linkerarm na een bicepsruptuur en chronische rugklachten. Op basis hiervan werd een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en vastgesteld dat appellant geschikt is voor andere functies met een verlies aan verdiencapaciteit van 27,06%.
Het UWV weigerde de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer depressieve klachten aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bracht een aangepast FML uit, waarbij enkele functies niet meer geschikt werden geacht, maar het verlies aan verdiencapaciteit ongewijzigd bleef. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn lichamelijke beperkingen onvoldoende waren meegewogen en verwees naar een second opinion. De Raad oordeelde dat de FML de beperkingen voldoende weerspiegelt en dat de medische beoordeling gericht was op geschiktheid voor andere functies dan het eigen werk. De Raad concludeerde dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.