ECLI:NL:CRVB:2016:2425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld wegens onvolledige bankafschriften
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) nadat zijn WW-uitkering was beëindigd. Het college verzocht hem om alle bankafschriften vanaf het einde van zijn WW-periode te overleggen. Appellant leverde slechts gedeeltelijke afschriften aan en vroeg uitstel voor de rest. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling omdat niet alle gevraagde bankafschriften, met name van internetspaarrekeningen, werden verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling stelde op grond van artikel 4:5 Awb Pro, omdat de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor een juiste beoordeling en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet over de bankafschriften kon beschikken.
Verder was het appellant duidelijk welke gegevens waren vereist en had hij de mogelijkheid om een verlenging van de inlevertermijn te verzoeken, maar heeft hij dit nagelaten. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet aanleveren van alle gevraagde bankafschriften.