ECLI:NL:CRVB:2016:2427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving sinds juni 2012 bijstand als alleenstaande ouder en stond met haar kinderen ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij onder meer gas- en elektraverbruik en een buurtonderzoek werden verricht, concludeerde het college dat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Dit leidde tot intrekking van de bijstand per 1 maart 2013.
Appellante voerde aan wel op het adres te wonen, maar gaf wisselende verklaringen over haar verblijf en meldde pas laat een gewijzigde woonsituatie vanwege verbouwing. Het college wees ook een nieuwe aanvraag om bijstand af wegens gebrek aan gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht de intrekking handhaafde en de afwijzing van de nieuwe aanvraag vernietigde wegens procedurele fouten. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag boden voor de intrekking en dat appellante niet had aangetoond dat zij op het uitkeringsadres woonde of dat er nieuwe feiten waren die hernieuwde bijstand rechtvaardigden. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellante niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en geen nieuwe feiten voor bijstand heeft aangetoond.