ECLI:NL:CRVB:2016:245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek erkenning burger-oorlogsslachtoffer Wubo
Appellant, geboren in 1938 in Nederlands-Indië, diende in 1995 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer onder de Wubo, welke werd afgewezen omdat de gebeurtenissen niet onder de Wubo vielen en er geen bewijs was van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.
Na eerdere herzieningsverzoeken en bezwaarprocedures die eveneens werden afgewezen, verzocht appellant in 2014 om vergoeding voor psychotherapie, wat ook werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe relevante feiten.
Appellant voerde in beroep aan dat nieuwe verklaringen van zijn zuster details over beschietingen en razzia's bevatten die psychische problemen veroorzaakten en tot erkenning zouden moeten leiden. De Raad oordeelde echter dat deze verklaringen geen bevestiging gaven van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld zoals vereist onder de Wubo.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit om niet tot herziening over te gaan standhoudt onder de terughoudende toets en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet-herziening van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.