Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2474

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 2016
Publicatiedatum
30 juni 2016
Zaaknummer
15/1435 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000Art. 6 EVRMArt. 9.9 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering wegens thuiswoning appellant

Appellant was ingeschreven als uitwonende student, maar een huisbezoek door controleurs toonde aan dat hij feitelijk bij zijn ouders woonde. De hoofdbewoner verklaarde dat appellant nooit daadwerkelijk uitwonend is geweest. De minister herzag daarop de studiefinanciering en vorderde het te veel betaalde bedrag terug.

Appellant voerde aan dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat de controleurs het doel niet volledig hadden meegedeeld en dat de terugvordering onredelijk was. Ook stelde hij dat brieven en verklaringen van derden zijn standpunt ondersteunden.

De Raad oordeelde dat het huisbezoek rechtmatig was, de verklaring van de hoofdbewoner betrouwbaar en dat het wettelijk vermoeden van feitelijke woonsituatie leidde tot een rechtmatige herziening en terugvordering. Het beroep en verzoek om schadevergoeding werden afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.

Uitspraak

15/1435 WSF
Datum uitspraak: 25 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
20 januari 2015, 14/3675 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.1.
Appellant stond van 2 november 2012 tot 11 maart 2014 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), thans basisregistratie personen (brp), onder het adres [adres 1] . Vanaf 11 maart 2014 staat appellant in de brp ingeschreven onder het adres van zijn ouders, [adres 2] .
1.1.2.
De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 20 oktober 2012 met ingang van 1 januari 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 10 december 2013 is deze toekenning voor het jaar 2014 voortgezet.
1.2.
Op 8 maart 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van mevrouw [naam] . Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het adres [adres 2] , waaronder mevrouw [naam] op dat moment in de brp was ingeschreven, om te controleren of zij op dat adres woonde. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Bij dit onderzoek zijn in de als kamer van mevrouw [naam] getoonde kamer enkel aan appellant toebehorende zaken aangetroffen. Voorts heeft de hoofdbewoner verklaard dat deze kamer, en alle spullen in deze kamer, van appellant, zijn zoon, zijn. Ook heeft de hoofdbewoner verklaard dat appellant thuiswonend is en alleen op papier ingeschreven staat als uitwonend. Volgens de hoofdbewoner is appellant nooit uitwonend geweest. Van het onderzoek is op 11 maart 2014 een rapport betreffende de woonsituatie van appellant opgemaakt. Bij dat rapport is de verklaring van de hoofdbewoner gevoegd. Deze verklaring is door de hoofdbewoner ondertekend.
1.3.
De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 genoemde rapport bij besluit van 3 mei 2014 de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2013 herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant over de periode van januari 2013 tot en met maart 2014 te veel betaalde bedrag van € 2.631,99 is daarbij van hem teruggevorderd.
1.4.
De minister heeft het tegen het besluit van 3 mei 2014 gemaakte bezwaar bij besluit van 10 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het rapport van het huisbezoek niet als grondslag mag dienen voor het bestreden besluit. Appellant betoogt in dit verband dat de controleurs de hoofdbewoner niet hebben voorgehouden wat het doel van het bezoek was. De controleurs hebben alleen gevraagd of zij binnen mochten komen om over appellant te praten. Zij hebben niet meegedeeld dat het om een controle ging. Nu de hoofdbewoner niet voldoende is geïnformeerd, was het huisbezoek, ondanks de door de hoofdbewoner verleende toestemming, onrechtmatig. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevindingen tijdens het huisbezoek buiten twijfel stellen dat appellant op zijn ouderlijke adres woonachtig was. In dit verband heeft appellant gewezen op brieven van – onder meer – de Belastingdienst en zijn zorgverzekeraar VGZ die geadresseerd zijn aan zijn brp-adres. Daarnaast heeft appellant gewezen op een verklaring van de eigenaar en hoofdbewoner van het brp-adres. Deze heeft verklaard dat appellant van november 2012 tot en met maart 2014 op het brp-adres heeft gewoond. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens appellant biedt het onderzoek naar zijn woonsituatie op 8 maart 2014 een onvoldoende grondslag voor een herziening en terugvordering vanaf 1 januari 2013.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Uit het rapport van het huisbezoek blijkt dat de controleurs zich na het openen van de deur door de hoofdbewoner hebben gelegitimeerd en dat zij de hoofdbewoner uitleg hebben gegeven over de aanleiding en het doel van het bezoek. Uit het rapport blijkt voorts dat de hoofdbewoner na deze uitleg de controleurs toestemming heeft gegeven om de woning te betreden en om foto’s te maken. Er is geen enkele indicatie dat de toestemming van de hoofdbewoner is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie van de controleurs. Er is daarom geen aanleiding om aan te nemen dat het huisbezoek onrechtmatig was. Het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van dat bezoek mag dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.
4.2.
Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het rapport van het huisbezoek op 8 maart 2014 een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat appellant op dat moment woonachtig was op zijn ouderlijke adres en dus niet op zijn brp-adres. Terecht heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat de hoofdbewoner, de vader van appellant, de slaapkamer van appellant aan de controleurs heeft laten zien met daarin – onder meer – appellants schoolboeken, schoolspullen, kleding, ondergoed, toiletartikelen, medicijnen, laptop, post en administratie en daarbij volmondig en zonder voorbehoud heeft verklaard dat appellant altijd thuis woonachtig is geweest en nooit op zijn brp-adres heeft gewoond. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om deze verklaring in twijfel te trekken. De door appellant in bezwaar overgelegde brieven, die geadresseerd zijn aan zijn brp-adres, alsmede de verklaring van de hoofdbewoner van het brp-adres geven geen aanleiding het standpunt van de minister voor onjuist te houden. Deze stukken doen op geen enkele wijze afbreuk aan de bij het huisbezoek aangetroffen feitelijke woonsituatie. Evenmin doen deze stukken afbreuk aan de verklaring van de hoofdbewoner.
4.3.
Nu de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op zijn brp-adres en dus niet voldeed aan de in artikel 1.5, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 gestelde voorwaarde, leidt dit als gevolg van (de werking van) artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, in beginsel tot een herziening van de studiefinanciering van appellant naar de norm voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 januari 2013.
De stelling van appellant dat het onderzoek op 8 maart 2014 een onvoldoende grondslag biedt voor de herziening en terugvordering met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2013 miskent de werking van het in artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 neergelegde wettelijke vermoeden. Van een situatie dat niet onverkort aan dit wettelijk vermoeden kan worden vastgehouden, is niet gebleken. Voor een beschrijving van de van toepassing zijnde wettelijke systematiek wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146. Gegeven deze wettelijke systematiek is, zoals reeds vaker is geoordeeld, geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente moet worden afgewezen.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.C. Borman

UM