ECLI:NL:CRVB:2016:2492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Beuker-Tilstra
- C.H. Bangma
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen pensioenopbouw op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
Appellant, voormalig lid van het dagelijks bestuur van verschillende waterschappen, vorderde herstel van een vermeende onjuiste pensioenopbouw vanaf 1 maart 2006. Hij stelde dat zijn pensioen had moeten worden berekend met hogere opbouwpercentages dan de gehanteerde 1,75% als bestuurder en 0,875% tijdens wachtgeld.
De Raad onderzocht de toepasselijkheid van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) en de Uitkerings- en pensioenverordening voor bestuurders van waterschappen in Zuid-Holland (UPZH). Hoewel aan appellant met terugwerkende kracht pensioen was toegekend en dit door het bestuur werd erkend, kon de Raad geen objectieve bevestiging vinden van hogere afgesproken opbouwpercentages dan die van de UPZH en de Appa.
De Raad oordeelde dat de pensioenverordening van het waterschap [waterschap 3] vanaf de fusiedatum gold, en dat eerdere verordeningen van de gefuseerde waterschappen niet van toepassing waren. Ook het beroep op een garantiebepaling in de UPZH faalde, omdat er geen eerdere gunstigere pensioenregeling gold. De stelling dat er een afspraak was om hogere opbouwpercentages toe te passen werd niet onderbouwd met een expliciet besluit of bewijs.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het pensioenbesluit wordt ongegrond verklaard.