ECLI:NL:CRVB:2016:2497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2016
Publicatiedatum
5 juli 2016
Zaaknummer
15/5597 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in sociale zekerheidszaak

Het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Betrokkene heeft daarop verzocht om een proceskostenveroordeling tegen appellant.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. Op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het bestuursorgaan bij intrekking van het hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij. De Raad heeft de proceskosten begroot op € 496,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De Raad overweegt dat er geen aanleiding is om proceskosten van betrokkene in beroep toe te kennen, omdat de rechtbank appellant reeds tot vergoeding daarvan heeft veroordeeld. De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ad € 496,-.

Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van € 496,- aan proceskosten van betrokkene na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 juli 2016
15/5597 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 juli 2015, 14/3911 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. L. Hermans bij brief van 5 oktober 2015 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 december 2015 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 22 december 2015 heeft mr. Hermans namens betrokkene verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft geen verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Gelet hierop wordt appellant veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor de proceskosten van betrokkene in beroep is van belang dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak appellant tot vergoeding daarvan heeft veroordeeld. Naar het oordeel van de Raad bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van proceskosten van betrokkene in beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 496,-.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2016.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) N. Khachatryan

HD