ECLI:NL:CRVB:2016:2517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant vroeg een nabestaandenuitkering aan na het overlijden van zijn echtgenote en gaf aan arbeidsongeschikt te zijn. De Sociale verzekeringsbank (Svb) vroeg het UWV om een onderzoek, dat concludeerde dat appellant ondanks psychische beperkingen geschikt is voor passende functies en dus niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.
Appellant maakte bezwaar en het UWV voerde een aanvullend verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde de eerdere medische beperkingen, maar stelde dat deze niet tot arbeidsongeschiktheid leiden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond geen reden om te twijfelen aan het oordeel van het UWV.
In hoger beroep voerde appellant aan dat medische informatie van zijn huisarts ten onrechte niet was meegewogen en dat deze wel relevant was voor de datum in geschil. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de huisarts pas na de datum in geschil contact had gehad met appellant en dat er geen objectieve medische gegevens zijn die het oordeel van het UWV ondermijnen.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en de weigering van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.