ECLI:NL:CRVB:2016:2518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor aangepaste arbeid
Appellant, bekend met posttraumatische artrose en klachten na een verkeersongeval, ontving ziekengeld op grond van arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde de uitkering per 16 december 2012 na een medisch onderzoek dat stelde dat appellant geschikt was voor bepaalde functies met beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen groter waren dan erkend, met name door schouder-, rug- en psychische klachten. Hij overlegde diverse medische verklaringen en een expertiserapport. Het UWV liet aanvullend onderzoek doen, waarbij extra beperkingen werden erkend, maar toch twee functies als passend werden aangemerkt.
De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld afhangt van geschiktheid voor de laatstelijk verrichte arbeid of, na de maximale uitkeringsduur, gangbare arbeid zoals vastgesteld in de Wet WIA. De medische rapporten en arbeidsdeskundige beoordeling waren overtuigend en motieven van appellant boden geen aanleiding tot meer beperkingen. De Raad bevestigde dat appellant vanaf 16 december 2012 geschikt was voor ten minste één van de functies en daarom geen recht meer had op ziekengeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 16 december 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor aangepaste functies.