Appellant, geboren in 1940 en met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een AOW-pensioen aangevraagd dat aanvankelijk werd afgewezen. Na meerdere bezwaarprocedures en verzoeken om herziening heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb) bij besluit van 7 juli 2015 alsnog een pensioen toegekend ter hoogte van 2% van het maximale pensioen en een partnertoeslag van 16% over de periode maart 2007 tot juni 2012.
Appellant stelde dat hij recht had op een hoger pensioen omdat hij tussen 1967 en 1971 in Nederland zou hebben gewoond en gewerkt. De Svb kon dit echter niet aannemelijk maken na onderzoek, mede omdat geen inschrijving in het bevolkingsregister of bewijs van werkzaamheden kon worden gevonden. De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt langer dan een jaar verzekerd te zijn geweest voor de AOW in die periode.
De Raad vernietigde het eerdere besluit van 2 januari 2013 wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht en verklaarde het beroep gegrond. Het beroep tegen het latere besluit van 7 juli 2015 en de vergoeding van wettelijke rente werd ongegrond verklaard. Verzoeken om aanvullende schadevergoeding werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en geen overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellant moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade op 24 juni 2016.