ECLI:NL:CRVB:2016:2603

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2016
Publicatiedatum
12 juli 2016
Zaaknummer
15/5145 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bijzondere bijstand verhuis- en inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant ontvangt sinds 2009 bijstand en huurt sinds januari 2014 een zelfstandige woning. In april 2014 vroeg hij bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten van €2.598,79. Het college wees dit af omdat inrichtingskosten tot de algemene bestaanskosten behoren en hiervoor gereserveerd moet kunnen worden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overweegt dat bijzondere bijstand alleen wordt toegekend als kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die niet uit algemene bijstand of draagkracht kunnen worden voldaan.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kon reserveren of gespreid betalen. Ook het argument dat bijstandsgerechtigden in de praktijk nauwelijks kunnen reserveren faalt omdat de rechtbank het oordeel voldoende heeft geconcretiseerd naar appellant. De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wordt bevestigd wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

15/5145 WWB
Datum uitspraak: 12 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2015, 14/8873 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 2009, met een onderbreking van twee maanden in 2013, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Sinds 20 januari 2014 huurt appellant een zelfstandige woning op het adres
[adres] . Op 16 april 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten tot een bedrag van € 2.598,79.
1.2.
Bij besluit van 15 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat inrichtingskosten behoren tot de algemene bestaanskosten, dat voor deze kosten moet kunnen worden gereserveerd en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Het gaat hier om kosten die, indien zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.3.
Niet in geschil is dat de onderhavige kosten zich hebben voorgedaan en dat deze noodzakelijk zijn. In geschil is uitsluitend de vraag of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.4.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij heeft aangevoerd, in zijn geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die tot verlening van bijzondere bijstand voor de onderhavige kosten moeten leiden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. In het bijzonder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij voor deze kosten niet heeft kunnen reserveren en dat gespreide betaling achteraf ook niet tot de mogelijkheden heeft behoord.
4.5.
De beroepsgrond dat de rechtbank de aangevallen uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat zij is uitgegaan van de theoretische situatie waarin de mogelijkheid bestaat tot reserveren en niet van de praktijk waarin bijstandsgerechtigden al nauwelijks rond kunnen komen, zodat er geen geld is om te reserveren, slaagt niet. De rechtbank heeft, door bij haar overwegingen te betrekken dat appellant sinds 2009, met een onderbreking van twee maanden, bijstand en inmiddels ook langdurigheidstoeslag ontvangt, haar oordeel voldoende geconcretiseerd naar het individuele geval van appellant.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2016.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD