Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:268

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
14-5950 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WuvArt. 21 Wuv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding verhuis- en herinrichtingskosten wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, een tweede-generatieslachtoffer met psychische klachten gerelateerd aan de vervolging van zijn ouders, verzocht om vergoeding van verhuis- en herinrichtingskosten. Hij gaf aan zich in zijn galerijflat onveilig te voelen en wilde verhuizen naar een kleinschaligere seniorenwoning. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van medische noodzaak.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat appellant sinds juni 2014 in de nieuwe woning woont en zich daar psychisch beter voelt. De Raad toetste het beleid van verweerder dat een vergoeding kan worden toegekend indien causale klachten een verhuizing noodzakelijk maken. Medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs, waaronder een persoonlijk onderhoud met appellant, wezen uit dat zijn angstgevoelens chronisch en niet specifiek aan de oude woning gekoppeld zijn.

De Raad concludeerde dat hoewel de klachten aanleiding waren voor de verhuizing, deze niet medisch noodzakelijk was. Ook ontbraken niet-causale klachten die een verhuizing noodzakelijk maakten. Daarom kon het bestreden besluit in stand blijven en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van medische noodzaak voor de verhuizing.

Uitspraak

14/5950 WUV
Datum uitspraak: 21 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [appellant] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 september 2014, kenmerk BZ01755068 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2015. Daar is appellant verschenen, vergezeld van zijn echtgenote M.L. Zwaaf-Koekoek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1947, is in 1994 als zogenoemde tweede-generatieslachtoffer gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is aanvaard dat appellant psychische klachten heeft die in overwegende mate in verband staan met de door zijn ouders ondergane vervolging en de bij hen ontstane vervolgingsgevolgen.
1.2.
In maart 2014 heeft appellant verzocht om in aanmerking te komen voor een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij zich in zijn woning steeds minder op zijn gemak voelt en dat hij graag wil verhuizen naar een veiliger en kleinschalige(re) seniorenwoning. Zijn huidige woning is een galerijflat waar constant mensen langs zijn appartement lopen en bij hem naar binnen kunnen kijken. Dat beangstigt hem in hevige mate, aldus appellant.
1.3.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 22 mei 2014 en de afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat de voorziening niet medisch noodzakelijk of medisch-sociaal wenselijk is.
2. Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij zich psychisch veel beter voelt in de nieuwe woning - waar hij sinds juni 2014 woont - en dat het gevoel van angst en slapeloosheid minder is geworden sinds zijn verhuizing.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Verweerder hanteert als beleid dat een vergoeding als bedoeld in artikel 20 van Pro de Wuv kan worden toegekend als de causale klachten een verhuizing naar een andere (adequate) woning noodzakelijk maken. De Raad heeft al meermalen uitgesproken deze benadering van verweerder niet als onjuist te beoordelen.
3.2.
Op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens ziet de Raad niet dat de psychische klachten van appellant de (inmiddels plaatsgevonden) verhuizing noodzakelijk hebben gemaakt. Van belang hierbij zijn de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Die adviezen zijn gebaseerd op een persoonlijk onderhoud dat een van die adviseurs, de arts R.J. Roelofs, met appellant heeft gehouden en op informatie van de huisarts. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de medische bevindingen. Uit de adviezen komt naar voren dat appellant een chronisch angstige man is die zich in alle maatschappelijke situaties onveilig en bedreigd voelt. Zijn angsten zijn ook niet specifiek gekoppeld aan zijn (oude) woning of woonomgeving. De verhuizing is weliswaar ingegeven door zijn medische klachten (de gevoelens van angsten en bedreiging omdat iedereen langs zijn galerijwoning kon lopen en naar binnen kon kijken), maar die klachten waren niet zodanig prominent aanwezig dat kan worden gesteld dat zij de verhuizing medisch noodzakelijk hebben gemaakt. Dat appellant zich nu wel prettig voelt in zijn nieuwe woning maakt dat niet anders.
3.3.
Een tegemoetkoming op grond van artikel 21 van Pro de Wuv voor verhuis- en herinrichtingskosten pleegt verweerder toe te kennen wanneer er sprake is van - kort weergegeven - een combinatie van niet-causale klachten die de verhuizing noodzakelijk maken en causale klachten die de verhuizing wenselijk maken. Verweerder heeft ook deze situatie in het geval van appellant niet aanwezig geacht. Aangezien uit de medische gegevens niet blijkt dat appellant niet-causale klachten had die een verhuizing noodzakelijk maakten en feitelijk aan zijn aanvraag ook geen andere klachten ten grondslag heeft gelegd dan psychische klachten, kan de Raad het standpunt van verweerder ook op dit punt onderschrijven.
3.4.
Gezien het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2016.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD