ECLI:NL:CRVB:2016:2698

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2016
Publicatiedatum
19 juli 2016
Zaaknummer
15/1927 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening kinderbijslaguitspraak op grond van geen nieuw feit

Verzoeker heeft bij brief van 18 maart 2015 verzocht om herziening van een eerdere uitspraak van de Raad van 10 oktober 2014, waarin het bezwaar tegen de herziening van kinderbijslag was afgewezen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had eerder vastgesteld dat verzoeker geen recht meer had op kinderbijslag omdat zijn jongste kind in 2011 18 jaar was geworden.

De Raad overweegt dat herziening slechts mogelijk is op grond van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Het verzoek is niet onredelijk laat ingediend.

Verzoeker stelde dat zijn dochter nog geen 18 jaar was en nog schoolgaand, maar dit is geen nieuw feit omdat dit ook eerder naar voren had kunnen worden gebracht. Daarom wordt het verzoek om herziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nieuw feit of omstandigheid.

Uitspraak

15/1927 AKW
Datum uitspraak: 15 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2014, 13/3186 AKW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij een op 18 maart 2015 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3339.
De Svb heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2016. Voor verzoeker is verschenen zijn zoon [A.] met Lamari Etaouil als tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 15 juni 2011 heeft de Svb de toekenning van kinderbijslag aan verzoeker herzien. Daarbij is vastgesteld dat verzoeker ingevolge het toepasselijke overgangsrecht met ingang van het derde kwartaal van 2011 geen recht meer heeft op kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat zijn jongste voor 1 januari 2000 geboren kind [in] 2011 18 jaar is geworden. Het door verzoeker tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Bij besluit van
10 september 2012 (bestreden besluit II) heeft de Svb bestreden besluit I ingetrokken en een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 15 juni 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens een onverschoonbaar geachte overschrijding van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kan worden ingediend.
1.2.
Bij uitspraak van 8 mei 2013 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellant tegen bestreden besluit II is bij die uitspraak ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 oktober 2014, waarvan nu herziening wordt gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2013 bevestigd voor zover aangevochten.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2.
Van degene die om herziening van een uitspraak vraagt, mag volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nova dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
2.3.
In dit geval is het verzoek om herziening niet onredelijk laat ingediend.
2.4.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren gebracht dat zijn dochter [B.], die geboren is [in] 2002, nog geen 18 jaar oud is, dat zij nog schoolgaand is en dat hij alle door hem verschuldigde premies heeft betaald.
2.5.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren.
2.6.
Wat verzoeker heeft aangevoerd is geen nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119 van Pro de Awb, zoals vermeld onder 2.1, nu hij een en ander ook naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan om herziening wordt verzocht.
2.7.
Uit 2.1 tot en met 2.6 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2016.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) N. van Rooijen

SS