ECLI:NL:CRVB:2016:2700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding kinderbijslag
De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft op 27 mei 2013 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf het eerste kwartaal van 2014 geen recht meer heeft op kinderbijslag. Appellant maakte bezwaar met een brief die pas op 29 augustus 2014 door de Svb werd ontvangen, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. De Svb verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij al in juni 2013 bezwaar had gemaakt, onderbouwd met een bewijs van aangetekende verzending en een gedateerd bezwaarschrift van 14 juni 2013. De Svb ontkende ontvangst van dit bezwaarschrift.
De Raad oordeelde dat de wettelijke bezwaartermijn van zes weken liep van 28 mei tot 9 juli 2013. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig bezwaar had ingediend. De stukken die in juli 2013 werden ontvangen ontbraken een begeleidend schrijven en appellant had niet gereageerd op een verzoek tot verduidelijking. Er waren geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van kinderbijslag is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.