ECLI:NL:CRVB:2016:2706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens niet melden inkomsten uit arbeid bij bijstandsverlening
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en verrichtte vanaf juli 2013 werkzaamheden bij een stichting, waarvan hij inkomsten ontving. Hij meldde deze inkomsten niet tijdig aan het college, waardoor zijn recht op bijstand werd geschorst en herzien. Het college legde een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank stelde de boete vast op €690,- wegens grove schuld, zonder opzet. Appellant voerde aan dat hij niet eerder een volledige opgave kon doen vanwege late ontvangst van salarisstroken en dat het college al op de hoogte was via een VOG-aanvraag.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht wel degelijk heeft geschonden omdat hij niet onverwijld zijn arbeidsovereenkomst, werkzaamheden en inkomsten meldde. De VOG-aanvraag was onvoldoende om het college tijdig te informeren. De boete werd bevestigd omdat geen verzachtende omstandigheden aanwezig waren.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2015 werd bekrachtigd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €690,- wegens grove schuld voor het niet tijdig melden van inkomsten wordt bevestigd.