ECLI:NL:CRVB:2016:2741

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2016
Publicatiedatum
20 juli 2016
Zaaknummer
15/4787 WWB-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:104 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring hoger beroep in WWB-zaak ongegrond verklaard

Appellant heeft tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland hoger beroep ingesteld, maar de Centrale Raad van Beroep verklaarde zich onbevoegd om van dit hoger beroep kennis te nemen omdat het appèlverbod van toepassing was.

Appellant deed verzet tegen deze onbevoegdverklaring en stelde dat de rechtbank het gelegde beslag onjuist had beoordeeld en dat een uitspraak van de Hoge Raad relevant was. De Raad oordeelde dat het wettelijk appèlverbod niet doorbroken kon worden omdat er geen sprake was van evidente schending van procesorde of fundamentele rechtsbeginselen.

De Raad concludeerde dat de door appellant aangehaalde Hoge Raad-uitspraak over beslag op nabetalingen niet van toepassing was en dat geen andere gronden voor doorbreking van het appèlverbod aanwezig waren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 19 juli 2016
15/4787 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juli 2015, 15/2101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 12 april 2016 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om van het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennis te nemen.
Appellant heeft verzet gedaan. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank het gelegde beslag onjuist heeft beoordeeld en ten onrechte geen acht heeft geslagen op de door hem vermelde uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 12 juli 2016. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 12 april 2016 berust hierop, dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb ingevolge
artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld. Daarbij heeft de Raad overwogen dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een doorbreking van het wettelijk appèlverbod rechtvaardigen.
Voor kennisneming van een appèl in weerwil van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb kan grond bestaan, indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De Raad ziet evenwel in wat appellant naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat doorbreking van het appèlverbod gerechtvaardigd is.
De gronden van het verzet betreffen niet de evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen. In het bijzonder heeft de door appellant vermelde uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068, die ziet op beslag op nabetalingen, daarop geen betrekking.
Ook overigens ziet de Raad geen grond om in dit geval het appèlverbod te doorbreken.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) S.W. Munneke

HD