ECLI:NL:CRVB:2016:2744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet gerechtvaardigd
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Na een anonieme melding voerde de gemeente Maassluis een onderzoek uit, waarna het college de bijstand introk en terugvorderde wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. Het college baseerde dit op verklaringen van appellante en stelde dat sprake was van wederzijdse zorg.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat appellant weliswaar onderdak kreeg, maar dat niet is aangetoond dat hij zorg van enige omvang en gewicht aan appellante verleende. De verklaring van 1 april 2014 werd als betrouwbaar beschouwd, maar het college had onvoldoende onderzoek gedaan naar de aard en omvang van de wederzijdse zorg.
De Raad vernietigde daarom de bestreden besluiten wegens onvoldoende motivering en herroept de besluiten van 23 mei 2014. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellanten.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.