ECLI:NL:CRVB:2016:280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2006 arbeidsongeschikt door psychische klachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na toegenomen beperkingen stelde hij dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering. Het UWV stelde echter dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, mede vanwege de verwachting van verbetering met multidisciplinaire behandeling.
De rechtbank Limburg oordeelde dat het UWV terecht het standpunt innam dat appellant niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was op de datum in geschil, 1 januari 2013. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat eerdere behandelingen geen verbetering hadden gebracht en dat de verwachting van herstel onvoldoende concreet was onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts had een zorgvuldige en concrete beoordeling gemaakt van de medische situatie, behandelingen en herstelkansen. De Raad vond dat de verwachting van verbetering met een gerichte multidisciplinaire behandeling voldoende was onderbouwd, ondanks eerdere onbevredigende resultaten.
Hierdoor kon de arbeidsongeschiktheid niet als duurzaam worden aangemerkt in de zin van de Wet WIA. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd.