Uitspraak
5 december 2013, 13/3462 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
De werknemer was van 1999 tot 2012 in dienst bij appellante en meldde zich in 2011 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV stelde in 2012 vast dat de werknemer recht had op een WGA-uitkering, omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Appellante maakte bezwaar en kreeg in eerste aanleg gelijk, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de verzekeringsartsen hadden toegelicht dat de belastbaarheid van de werknemer naar verwachting nog kan verbeteren.
In hoger beroep herhaalde appellante dat de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, mede omdat hij later een IVA-uitkering kreeg toegekend. De Raad toetste of de arbeidsongeschiktheid duurzaam was in de zin van de Wet WIA, waarbij duurzaam betekent dat herstel op lange termijn niet te verwachten is.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsartsen een deugdelijke en concrete inschatting hadden gemaakt van de herstelkansen, gebaseerd op medische rapporten en informatie van de behandelend sector. Hoewel de werknemer een chronisch ziektebeeld heeft, is er een meer dan geringe kans op verbetering van zijn belastbaarheid. Het feit dat later een IVA-uitkering werd toegekend, doet hieraan niet af omdat de beoordeling moet worden gemaakt op de medische situatie op de datum in geding.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is en dat de werknemer recht heeft op een WGA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de IVA-uitkering bevestigd.