ECLI:NL:CRVB:2016:283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering ondanks gezondheidsbeperkingen
Appellante is sinds 2008 arbeidsongeschikt vanwege long-, gewrichts- en interne klachten en hervatte gedeeltelijk haar werkzaamheden in 2008. Het UWV stelde in 2010 en 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. Appellante voerde bezwaar en beroep aan tegen deze besluiten, waarbij zij stelde dat haar beperkingen, waaronder vermoeidheids- en depressieve klachten, waren onderschat en dat zij niet meer dan 20 uur per week kon werken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht was uitgegaan van de praktische schatting van de arbeidsongeschiktheid, waarbij rekening was gehouden met het feit dat appellante feitelijk 25,29 uur per week werkte. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad stelde vast dat de combinatie van aandoeningen juist was meegewogen en dat de psychische klachten niet waren onderschat. De informatie over psychische klachten had bovendien geen betrekking op de beoordelingsdatum.
De Raad vond geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen en volgde het standpunt van het UWV dat de praktische schatting correct was toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op basis van praktische schatting is vastgesteld.