Uitspraak
15.583 AKW
19 december 2014, 14/322 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft kinderbijslag aangevraagd voor het in Suriname verblijvende kind van zijn partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot dat appellant vanaf het tweede kwartaal van 2012 geen recht heeft op kinderbijslag omdat hij niet voldoende bijdraagt aan het onderhoud van het kind. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de onderhoudsbijdrage geacht wordt gelijkelijk te zijn besteed aan alle kinderen die op hetzelfde adres verblijven.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de hoofdregel van gelijke verdeling niet van toepassing is, onder verwijzing naar getuigenverklaringen en aanvullende stukken. De Raad oordeelt echter dat de systematiek van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) vereist dat onderhoudsbijdragen geacht worden gelijkelijk verdeeld te zijn over de kinderen in hetzelfde huishouden, omdat het niet controleerbaar is welk bedrag aan welk kind wordt besteed.
De Raad concludeert dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een bijzondere situatie die afwijkt van de hoofdregel. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag bevestigt.