ECLI:NL:CRVB:2016:2871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Beuker-Tilstra
- M.T. Boerlage
- J.Th. Wolleswinkel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek buitengewoon pensioen op grond van onvoldoende nieuw feiten
Appellant, geboren in 1924, diende in 1984 een aanvraag in voor een buitengewoon pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), met het argument dat hij deelnam aan een staking en later werd gearresteerd wegens anti-Duitse uitlatingen tijdens zijn tewerkstelling in Duitsland. De aanvraag werd destijds afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant deel uitmaakte van het verzet.
In de jaren daarna heeft appellant meerdere verzoeken tot herziening ingediend, die steeds werden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten. In 2015 overhandigde appellant een vonnis van het Oberlandesgericht Dresden uit 1944, maar verweerder oordeelde dat dit vonnis geen aanleiding gaf om het eerdere besluit te herzien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het vonnis weliswaar nieuw is, maar niet leidt tot een ander oordeel over het ontbreken van verzetsintentie. Het meermalen uitspreken van een anti-Duitse houding getuigt van moed, maar is onvoldoende om te spreken van verzet in de zin van de Wbp. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe feiten.