Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:2871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 juli 2016
Publicatiedatum
28 juli 2016
Zaaknummer
15/6877 BPW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42a Wbp
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek buitengewoon pensioen op grond van onvoldoende nieuw feiten

Appellant, geboren in 1924, diende in 1984 een aanvraag in voor een buitengewoon pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), met het argument dat hij deelnam aan een staking en later werd gearresteerd wegens anti-Duitse uitlatingen tijdens zijn tewerkstelling in Duitsland. De aanvraag werd destijds afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant deel uitmaakte van het verzet.

In de jaren daarna heeft appellant meerdere verzoeken tot herziening ingediend, die steeds werden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten. In 2015 overhandigde appellant een vonnis van het Oberlandesgericht Dresden uit 1944, maar verweerder oordeelde dat dit vonnis geen aanleiding gaf om het eerdere besluit te herzien.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het vonnis weliswaar nieuw is, maar niet leidt tot een ander oordeel over het ontbreken van verzetsintentie. Het meermalen uitspreken van een anti-Duitse houding getuigt van moed, maar is onvoldoende om te spreken van verzet in de zin van de Wbp. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe feiten.

Uitspraak

15/6877 BPW
Datum uitspraak: 28 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.E.F. Bergwerf Bok, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 september 2015, kenmerk BZ01869571 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1924, heeft in juli 1984 bij (de rechtsvoorganger van) verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen op grond van de Wbp. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij in december 1942 heeft deelgenomen aan een soort staking bij het bedrijf [bedrijf] , toen een aantal arbeidskrachten, waaronder hijzelf, bleek te zijn aangewezen voor tewerkstelling in Duitsland. Daarnaast heeft hij gesteld dat hij tijdens de tewerkstelling in Duitsland in januari 1944 is gearresteerd nadat hij een doofstomme mede-arbeider een briefje had gegeven waarin hij had laten weten niet veel voor de Duitsers te willen werken en dat hij hoopte op een Engelse overwinning. Na zijn veroordeling in oktober 1944 door het Oberlandesgericht Dresden wegens “Wehrkraftszersetzung” heeft appellant tot zijn bevrijding in april 1945 in gevangenschap verbleven. Na een daartoe ingesteld onderzoek heeft de Centrale Hoofdbestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 verklaard niet te hebben kunnen vaststellen dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. Overeenkomstig die verklaring heeft verweerder de aanvraag afgewezen bij besluit van 27 mei 1987 en die afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 1989. In dat verband is geoordeeld dat de eenmalige daad niet kan worden gezien als een daad voortkomende uit verzetsintentie terwijl daarnaast ook het demonstratiekarakter ontbrak. Verder is geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat appellant tijdens zijn tewerkstelling in Duitsland andere activiteiten heeft verricht. Het tegen het besluit van 16 januari 1989 ingestelde beroep is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 17 oktober 1991, nummer BPW 1989/8.
1.2.
In 1992, 1996, 2005 en 2010 heeft appellant verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Verweerder heeft die verzoeken steeds afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven het eerder ingenomen standpunt te herzien. De tegen de afwijzing ingestelde beroepen zijn door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraken van respectievelijk 20 april 1995 (nummer
BPW 1994/17), 27 januari 2000 (nummer 97/2859 BPW), 12 juli 2007 (nummer
06/3764 BPW) en 23 januari 2014 (nummer 11/6371 BPW).
1.3.
In februari 2015 heeft appellant opnieuw bij verweerder een verzoek ingediend om de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Daarbij heeft hij het vonnis van het Oberlandesgericht Dresden van 25 oktober 1944 overgelegd. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 20 april 2015 en die afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Naar het oordeel van verweerder heeft appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens vermeld die aanleiding geven de eerdere besluiten te herzien. Daarbij is overwogen dat nog immer niet is gebleken van een daad (dan wel daden) voortkomend uit een verzetsintentie.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Op grond van artikel 42a van de Wbp is verweerder, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, bevoegd een door hem gegeven definitief besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Centraal staat of door appellant feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die aan verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.2.
Het door appellant overgelegde vonnis van het Oberlandesgericht Dresden is weliswaar een nieuw stuk, maar plaatst de eerdere afwijzingen niet in een zodanig nieuw licht dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan. Uit het vonnis komt naar voren dat appellant zich bij herhaling negatief heeft uitgelaten over de Duitse bezetter. Hoewel daarmee, zoals ook door verweerder is bevestigd, in ieder geval wel duidelijk is geworden dat van de aanvankelijk aangenomen eenmaligheid van de door appellant gedane anti-Duitse uitlatingen geen sprake is geweest, werpt het vonnis geen ander licht op het karakter van het handelen. Zo kan ook nu niet worden gezegd dat er sprake is geweest van een daad (of daden) voortkomende uit een verzetsintentie. Het meermalen uitspreken van een anti-Duitse houding, met de veroordeling tot twee jaar tuchthuis tot gevolg, getuigt van moed gezien de situatie waarin appellant zich bevond, maar is onvoldoende om te kunnen spreken van verzet in de zin van de Wbp.
2.3.
Gezien het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de terughoudende toets van de Raad doorstaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en
J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2016.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) C. Moustaïne

HD