Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn studiefinanciering waarbij hij als thuiswonende studerende werd aangemerkt. De minister baseerde dit besluit op een onderzoek naar de woonsituatie, uitgevoerd door twee controleurs die als zelfstandige zonder personeel (zzp’ers) werkzaam waren.
De Raad overwoog dat hoewel werknemers van een private partij bevoegd kunnen zijn tot toezicht op naleving van artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000, dit niet geldt voor zzp’ers. De controleurs waren derhalve onbevoegd, waardoor het bewijs onrechtmatig verkregen is en niet kan worden gebruikt.
Omdat zonder dit bewijs onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister, berust het besluit niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank had dit motiveringsgebrek niet onderkend, waardoor de Raad het bestreden besluit vernietigt en tevens het eerdere besluit van november 2014 herroept.
De minister wordt veroordeeld in de proceskosten en dient het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak vervangt het vernietigde besluit en leidt tot een volledige herziening van de studiefinancieringskwestie.