Appellant heeft op 6 juni 2014 kinderbijslag aangevraagd bij de Sociale verzekeringsbank (Svb). De Svb heeft niet binnen de wettelijke termijn een beslissing genomen. Appellant heeft meerdere malen verzocht om een dwangsom vast te stellen wegens deze vertraging.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de dwangsom terecht was vastgesteld over een periode van 12 dagen, waarbij werd aangenomen dat de beslistermijn was verlengd door een brief van 9 juli 2014. Appellant betwistte de ontvangst van deze brief en stelde dat de Svb de beslistermijn niet had verlengd.
De Raad oordeelt dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 9 juli 2014 daadwerkelijk is verzonden, omdat deze niet aangetekend was en er geen deugdelijke verzendregistratie bestond. Hierdoor is de beslistermijn niet verlengd en is de ingebrekestelling van 13 augustus 2014 niet prematuur.
De Svb heeft daardoor vanaf 27 augustus 2014 een dwangsom verbeurd. Omdat de beslissing pas op 10 november 2014 werd genomen, is de maximale dwangsom van €1.260,- verschuldigd. De Raad vernietigt het eerdere besluit en stelt de dwangsom op dit bedrag vast. Tevens wordt de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant.