ECLI:NL:CRVB:2016:2892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- P. Vrolijk
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering na herroepen besluit
Appellant ontving vanaf 2004 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV stelde in 2012 de definitieve mate van arbeidsongeschiktheid vast op 15-25% en vorderde later onverschuldigd betaalde uitkeringen terug over 2010-2012. De rechtbank herroept het terugvorderingsbesluit vanwege gebrekkige bekendmaking, waardoor het besluit niet in werking trad.
Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit in 2014, gelijkluidend aan het eerdere, en maakte dit correct bekend aan de gemachtigde van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het gebrek in de eerdere bekendmaking met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro passeerde.
In hoger beroep betoogde appellant dat het opnieuw nemen van een gelijkluidend besluit na anderhalf jaar in strijd is met rechtszekerheid en dat het passeren van het gebrek onterecht was. De Centrale Raad oordeelt dat het nieuwe besluit een primair besluit is en geen herhaling van het eerdere, en dat er geen gerechtvaardigde verwachting bestond dat het UWV niet zou overgaan tot terugvordering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.