ECLI:NL:CRVB:2016:2905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing Wajong-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen
Appellante, geboren in 1995, heeft op 23 juli 2013 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Het UWV stelde bij besluit van 26 november 2013 vast dat zij 100% van het minimumloon kan verdienen, waardoor zij niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd op 1 april 2014 ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet waren overschat. De rechtbank vond dat de aan appellante geduide functies passend waren, mede omdat rekening was gehouden met haar behoefte aan vaste werkwijzen en terugvalmogelijkheden op collega’s en leidinggevenden.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij medisch meer beperkt is, met name door een disharmonisch profiel en beperkte verwerkingssnelheid, waardoor zij eenvoudige handelingen niet kan verrichten. De Raad volgde dit niet en stelde dat er geen nieuwe medische informatie was die tot een ander oordeel leidde. De Raad bevestigde dat appellante medisch in staat is de aan haar geduide functies te verrichten en dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee het eerdere oordeel en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.