ECLI:NL:CRVB:2016:2920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij hoger beroep tegen beslag op bijstandsuitkering
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep beoordeelde het verzoek en concludeerde dat het kennelijk ongegrond was, mede omdat verzoeker maandelijks ten minste 90% van de bijstandsnorm ontvangt en slechts 10% van de uitkering is beslagen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het appèlverbod van toepassing is op de aangevallen uitspraak en dat doorbreking hiervan slechts mogelijk is bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen, wat niet is gebleken. Bovendien betreft de aangevallen uitspraak geen beslissing in de hoofdzaak, maar een voorlopige voorziening.
Daarom zal de Raad zich naar verwachting onbevoegd verklaren in de hoofdzaak. Gezien deze omstandigheden is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid en toepassing van het appèlverbod.