ECLI:NL:CRVB:2016:293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- J.N.A. Bootsma
- M.T. Boerlage
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door onjuiste urenverantwoording
Appellant, werkzaam bij de politie sinds 1993, werd na meerdere functiewijzigingen geconfronteerd met verdenkingen van onjuiste urenverantwoording in het Basisvoorziening Capaciteitsmanagement (BVCM) systeem. Uit onderzoek bleek dat hij over een lange periode ruim 56 uur onterecht als gewerkt had opgegeven, terwijl de aanwezigheid in dienstgebouwen niet overeenkwam met de geregistreerde uren. De korpschef legde hem daarop onvoorwaardelijk ontslag op wegens zeer ernstig plichtsverzuim.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het bewijs onvoldoende was, dat de IRTS-registraties niet betrouwbaar waren en dat hij onvoldoende gelegenheid had gehad om tegenbewijs te leveren. Ook stelde hij dat verklaringen van collega’s niet te verkrijgen waren en dat hij onder druk stond tijdens verhoren. De Raad oordeelde dat de korpschef deugdelijk onderzoek had verricht en dat appellant onvoldoende concreet en geloofwaardig tegenbewijs had geleverd.
De Raad benadrukte dat in het ambtenarentuchtrecht niet dezelfde strikte bewijsregels gelden als in het strafrecht, maar dat overtuigend bewijs vereist is. De Raad vond dat appellant niet had voldaan aan zijn verplichting om twijfel over het plichtsverzuim weg te nemen, mede omdat hij geen concrete ontlastende verklaringen had overgelegd. Ook het late overleggen van een agenda kon het plichtsverzuim niet weerleggen.
Gelet op de ernst van het plichtsverzuim en de eerdere waarschuwing wegens niet-integer gedrag, achtte de Raad het ontslag niet onevenredig. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.